Dat de Nederlandse gezondheidszorg onder ongekende druk staat is al langer bekend. Structurele personeelstekorten en een snelgroeiende zorgvraag door vergrijzing en chronische aandoeningen zetten een stelsel dat van nature robuust is, steeds verder op scherp. De vraag die heel Nederland bezighoudt: hoe houden we de zorg toegankelijk en van hoge kwaliteit?
Steeds vaker wijzen regionale onderzoeken, beleidsrapporten en praktijkvoorbeelden in dezelfde richting: planbare zorg anders organiseren is één van de meest effectieve manieren om de druk te verlichten. Daarin spelen ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra geen tegengestelde rollen, maar elkaar versterkende posities. De vraag is niet óf zij moeten samenwerken, maar hoe snel ze dat kunnen organiseren. Hoe zorgen ze samen dat elke zorgverlener eerlijk wordt beloond, iedere patiënt tijdig en kwalitatief geholpen wordt en professionals zonder ruis met elkaar kunnen schakelen?
Clique Zorg ging in gesprek met prof. dr. Marco Varkevisser, hoogleraar Marktordening in de Gezondheidszorg aan de Erasmus School of Health Policy & Management (Erasmus Universiteit Rotterdam), en dr. Aukje van der Spank, cardioloog en Chief Medical Officer van Cardiologie Centra Nederland (CCN), een landelijk ZBC-netwerk dat intensief samenwerkt met onder meer Amsterdam UMC, LUMC en het St. Antonius. Hoewel hun dagelijkse werkelijkheid ver uiteen ligt – Varkevisser als stelselanalist, Van der Spank als klinisch specialist – zijn hun conclusies opvallend eensgezind: als de zorgketen beter op elkaar aansluit en iedere partij doet waar zij echt goed in is, blijft het stelsel wél toegankelijk.
Als planbare zorg stokt, stokt het hele systeem
Volgens Varkevisser wordt het debat over marktwerking nog altijd gedomineerd door misverstanden. “Er is nooit een vrije markt in de zorg geweest,” zegt hij. “Het gaat om gereguleerde concurrentie, die alleen werkt binnen strakke, goed ontworpen randvoorwaarden.” De kern van het probleem is niet marktwerking op zich, maar het feit dat een duidelijke visie op de precieze rolverdeling tussen ziekenhuizen en klinieken ontbreekt. “Iedereen probeert alles te blijven doen. En dan raakt het systeem verstopt. Zeker nu de zorgvraag zo snel stijgt.” Van der Spank vult aan: “De acute zorg gaat altijd door, maar patiënten met pijn op de borst of ritmeproblemen wachten soms weken op diagnostiek. Dat is belastend voor patiënten en huisartsen.”
Waar ziekenhuizen 24/7 acute zorg moeten garanderen, kan een gespecialiseerd centrum zich volledig richten op snelle, gestandaardiseerde cardiologische zorg. “Binnen drie dagen zien, dezelfde dag diagnosticeren en binnen enkele uren duidelijkheid geven. Dat is in een ziekenhuis vrijwel onmogelijk”, zegt van der Spank
Samenwerken zonder muren
Hoewel ziekenhuizen en ZBC’s vaak als tegengestelden gepositioneerd worden, laten regio’s waar de samenwerking volwassen is zien dat het om schakels in dezelfde keten gaat. Van der Spank beschrijft hoe dat idealiter werkt: “Een patiënt komt via de huisarts bij ons binnen, doorloopt dezelfde dag alle diagnostiek en krijgt direct een behandelvoorstel. Als er een ingreep nodig is, gaat binnen één telefoontje alle relevante data naar Amsterdam UMC. De patiënt ligt de volgende dag op de interventiekamer.” Cruciaal is vervolgens de terugverwijzing: “De nazorg doen we weer zelf, vaak digitaal ondersteund. Daardoor weet de patiënt wie de regie heeft. En de huisarts blijft aangehaakt.”
Hetzelfde ziet ze in de samenwerking met het LUMC en St. Antonius: door vaste werkafspraken en korte lijnen, kan een patiënt met acute verdenking op ischemie vaak binnen één etmaal worden beoordeeld, ingepland en behandeld. Voor Varkevisser is dit de essentie van passende zorg: “De juiste patiënt, op het juiste moment, op de juiste plek, zonder dat instellingen volumes proberen vast te houden uit financiële noodzaak.”
Misverstanden rondom ZBC’s
Een hardnekkig beeld is dat ZBC’s alleen ‘de krenten uit de pap’ halen. Van der Spank: “We zien de volledige breedte van niet-invasieve cardiologie en hebben zelfs een volledig cardiologisch georiënteerde CT-scanner. Ziekenhuizen verwijzen naar ons voor snelle CT-diagnostiek.” Daarnaast wijst ze erop dat CCN meer doet dan alleen poliklinische zorg. “We hebben ook dagopnames voor patiënten met pijn op de borst of ritmeproblemen. Daarmee ontlasten we de Eerste Hart Hulp,” zegt ze.
Varkevisser beaamt dat de werkelijkheid inderdaad genuanceerder is, maar benadrukt dat goede governance nodig blijft: “Zowel ziekenhuizen als ZBC’s kunnen door verkeerde prikkels verleid worden tot het uitlokken van extra zorgvraag. Deze vraaginductie los je niet op door ZBC’s te beperken, maar door zowel de bekostiging van zorg te verbeteren als medische richtlijnen aan te scherpen én scherper toe te zien op de naleving ervan.” Hij pleit voor een kleine, eenduidige set kwaliteitsindicatoren voor alle aanbieders: “Een behapbare set met echte klinische waarde, die het gesprek tussen verzekeraar en aanbieder beter maakt dan de huidige informatieoverload.”
De huisarts als spil
De huisarts bepaalt in belangrijke mate waar patiënten terechtkomen. Volgens de richtlijnen gebeurt dat op basis van zorgbehoefte, wachttijden, kwaliteit en bereikbaarheid. De LHV beschrijft dat tweedelijnszorg alleen toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, en dat verwijzers gebruikmaken van digitale verwijsplatforms zoals ZorgDomein om wachttijden, specialismen en beschikbaarheid te vergelijken.
In ZorgDomein ziet de huisarts alle beschikbare aanbieders en kan deze samen met de patiënt bepalen welke plek het meest passend is. De NHG-richtlijn ‘Informatie-uitwisseling huisarts–medisch specialist’ schrijft voor dat de huisarts bij de verwijzing altijd vermeldt waarom verwezen wordt en wat de vraagstelling is. Daarnaast benadrukt de LHV dat consultatie zonder verwijzing – via digitale consultatie of telefonische overleglijnen – de voorkeur heeft waar mogelijk. Dit voorkomt onnodige instroom in de tweede lijn.
“Huisartsen weten inmiddels dat ze ons laagdrempelig kunnen bellen,” zegt Van der Spank. “Ze krijgen direct een cardioloog aan de lijn, dezelfde dag antwoord en altijd een helder plan.Soms is fysieke verwijzing niet nodig. Met eerstelijnsdiagnostiek en e-consults kunnen we huisartsen snel adviseren. Dat scheelt tijd en kosten.” Varkevisser ziet hierin een logische vervolgstap: “Uiteindelijk hoort er op regionaal niveau een goede triage plaats te vinden. De patiënt wordt dan automatisch ingeboekt op de plek waar de zorg het beste past.”
Wachttijden en arbeidsmarkttekort
Door planbare zorg te concentreren bij partijen die er goed in zijn, ontstaat lucht in de keten. Van der Spank: “Wij handelen ruim 90% van de verwijzingen zelfstandig af. Daardoor kan het ziekenhuis de complexe zorg sneller oppakken. We hadden onlangs een patiënt met een ernstige vernauwing. Eén telefoontje naar Amsterdam UMC, beelden mee, ambulance geregeld. De volgende dag lag hij op tafel. Dat is wat ketendoelmatigheid betekent.”
Het recente PwC-rapport onderstreept dat planbare zorg anders organiseren ook het arbeidsmarkttekort met duizenden professionals kan verlagen. Volgens Van der Spank biedt planbare zorg bovendien een fijn werkritme: “Voorspelbare uren, minder uitval, meer werkplezier. Dat maakt het aantrekkelijk voor verpleegkundigen en cardiologen.” En technologie versterkt dit effect: “Met een eHealth-tool zoals HartWacht kunnen we honderden patiënten thuis monitoren. De verpleegkundig specialist is eerste aanspreekpunt; de cardioloog kijkt mee als dat nodig is. Dat maakt zorg schaalbaar.”
Een landschap met duidelijke profielen
Voor Varkevisser is één knelpunt onomstotelijk: geen duidelijke visie op het medisch-specialistische landschap van de toekomst. “Zolang de overheid niet vastlegt wat van wie wordt verwacht, blijven instellingen alles doen wat ze altijd deden. En dat is simpelweg niet houdbaar.”
Hij schetst een toekomst waarin de rollen veel duidelijker afgebakend zijn:
UMC’s en topklinische centra richten zich op de hoogcomplexe zorg; algemene ziekenhuizen kiezen scherpere portfolio’s; ZBC’s nemen een groot deel van de planbare, gestandaardiseerde zorgpaden op zich; en zorg verschuift digitaal naar huis wanneer het kan, en naar fysiek wanneer het moet. Van der Spank: “Geen muren, maar schakels die in elkaar grijpen. De patiënt moet door de keten kunnen bewegen zonder dat het voelt als een doolhof.” Ze verwacht dat gedeelde triage de komende jaren de grootste winst gaat opleveren.
Niemand kan het alleen
Ziekenhuizen, huisartsen en ZBC’s zijn geen losse werelden, maar schakels in één keten, Die werkt werkt alleen als iedereen zijn rol scherp speelt en elkaar durft te versterken. Planbare zorg is geen detail, maar een hefboom: het bepaalt of de acute zorg overeind blijft of wachttijden oplopen en of patiënten op tijd de juiste diagnose krijgen. Samenwerking is dus geen keuze, maar een noodzaak. En netwerkzorg is geen toekomstvisie meer: het gebeurt nu, in digitale consultatie, snelle triage en strakke overdrachten tussen instellingen. “Aan het einde van de dag gaat het maar om één ding,” zegt Van der Spank. “Dat mensen snel, veilig en gerustgesteld worden.”
Voor huisartsen betekent dat geen extra stappen, maar scherpere keuzes. “Vraag je bij elke patiënt af: waar wordt deze persoon nu het snelst, veiligst en doelmatigst geholpen?” Varkevisser vult aan: “Werk aan duidelijke afspraken, deel data, vertrouw elkaar. Dat is essentieel voor het succes van passende zorg: geen woorden maar daden.”
Wie als huisarts vandaag de juiste richting wijst, helpt de patiënt die sneller duidelijkheid krijgt, het ziekenhuis dat ruimte houdt voor complexe zorg en het ZBC dat planbare zorg kan versnellen. De eerste stap naar een toekomstbestendig zorgstelsel begint dus niet bij een wet, maar bij één simpele, krachtige handeling: een gerichte, doordachte verwijzing.




